Gehoord in de Tolhuistuin op 4 november 2009:

De laatste avond in de reeks besprekingen van de negen maquettes in de Vrijstaat was gewijd aan het ontwerp van Alle Hosper. Haar maquette heeft betrekking op Gaasperdam en Gaasperplas. Jonas Straus van bureau Alle Hosper verklaarde het ontwerp waarbij verder gegraven wordt aan de Gaasperplas tot in de woonwijken, in een lucide, niet opgeklopte presentatie vol verrassingen. Verrassend, omdat zijn betoog doorspekt was met niet eerder gehoorde redeneringen, zoals over hoe uitbreidingsplannen van het nabijgelegen AMC een plek zouden kunnen vinden in de woongebieden en hoe deze decentralisatie en menging van wonen en werken tevens benut zou kunnen worden voor het graven van water in de wijk. Heel mooi allemaal, maar de kern van zijn verhaal was toch hoe, naar het voorbeeld van Jane Jacobs, een suburbane woonwijk in de stedelijke periferie meer vrijheidsgraden geboden kan worden opdat deze levendig en minder eenzijdig zich ontwikkelt en waardoor hij de dans van de grootschalige sloop ontspringt.
Onthullend waren de getoonde passages uit het bestemmingsplan waarin alles in de wijk tot in detail dichtgeregeld was. Werken was er uitgesloten. “Deze wijk heeft op deze wijze eenvoudig geen kans om zich te ontwikkelen.”
Vervolgens was het de beurt aan Jan Kleine, twintig jaar lang projectleider van De Blauwe Stad in Groningen, inmiddels betrokken bij Meerstad ten zuidoosten van de stad Groningen en bij De Groene Compagnie nabij Hoogezand-Sappemeer. Die grootschalige gebiedsontwikkelingen waarbij het graven van water (600 tot 900 hectare) het centrale thema is, legde hij voor ons aanstekelijk onder de loep. Als ervaren planoloog gaf hij ons zelfs hele praktische tips. Wij planologen moesten de bevolking heel goed duidelijk maken welke problemen we met de grootschalige aanpak wilden oplossen. En zo’n Vrijstaat, voegde hij toe, kon ons daarbij zeker helpen. En al helemaal in crisistijd moest je het maken. Quod non. Hier sprak iemand die in de veronderstelling verkeerde dat wij het ontwerp van Alle Hosper daadwerkelijk wilden realiseren. Arme bewoners in de zaal.
Rikkert van der Plas van het architectenbureau Attica was de derde spreker. Zijn betoog was zo mogelijk nog aanstekelijker. Als een ware performer nam hij ons moeiteloos door een diabestand van 150 lichtbeelden heen. We zagen Sausolito bij San Francisco, een hippie Vrijstaat in het water van de baai die allengs chiquer was geworden en waarvan de pieren uiteindelijk met hekken ontoegankelijk waren gemaakt.
“Dit zal de brandweer in Amsterdam nooit toestaan,” voegde hij er geregeld aan toe.
Daarna werden we lekker gemaakt met mogelijkheden van woonarchitectuur langs het water, aan het water, op palen in het water, drijvend in het water. De mogelijkheden leken schier onbeperkt. Wel was het duurder dan op het land bouwen en het vergde ook allemaal meer onderhoud, dat werd ons tussen neus en lippen wel duidelijk gemaakt. Ook toonde hij pecman-achtige strategieën waarbij men zelf zijn water moest graven en waarbij pioniers achteraf werden beloond met de uiteindelijk mooiste plek in het water. Slim. Het was “an offer you can’t refuse.” Het duur de lang. Ondertussen wachtte ik gespannen tot de verkoop, later die avond, zou beginnen.
De tijd die overbleef voor een gesprek met de zaal was deels nodig om kou uit de lucht te halen. Eerst moesten alle diskwalifacties van Gaasperdam worden ingetrokken. Terecht, want Amsterdam Zuidoost wordt in dat opzicht al vijfentwintig jaar onheus bejegend. En ook was er de reactie van: we gaan hier toch niet weer problemen oplossen met grootschalige gebiedsontwikkeling? Jonas Straus probeerde uit te leggen dat hiermee grootschalige sloop juist voorkomen werd, maar dat vergde een vooruitziende blik en mocht dus niet baten. Vervolgens moesten we ons nog door de berg bezwaren heenworstelen. Daar was Willem Elsschot weer: “Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in den weg en praktische bezwaren…”; helaas misten we de rest van het gedicht: “en ook weemoedigheid die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.”
Toen eenmaal de lucht was opgeklaard (figuurlijk dan, want buiten sloeg de bliksem geregeld in) kwam er interessante inbreng van de kant van de bewoners. Zij hadden voor Gaasperdam gekozen vanwege de ruimte en het groen. Ze wilden het overdadige groen niet inwisselen voor het water. En iemand achterin de zaal die kennelijk ook nogal skeptisch was, wist te vertellen dat een boerderij aan de Gaasp een zeilboot had gekocht om te gaan varen, maar dat daarvoor een vergunning bij het stadsdeel moest worden aangevraagd, welke was geweigerd, waarna de boerderij de boot aan deze mevrouw had doorverkocht.
Het bleek niet om een vaarvergunning te gaan, maar een vergunning om een steiger aan te leggen. Nee inderdaad, zo komt er zeker geen Sausolito in Amsterdam Zuidoost. Daarom nogmaals Elsschot: “Ik dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand/ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen/en rennen door het vuur en door het water plassen/tot bij een ander lief in enig ander land.” Dus, dacht ik, in dat geval realiseren we de droom van Alle Hosper maar op IJburg.

verslag van Zef Hemel.