Show Yourself.
Dat is de titel van de tentoonstelling die ik in De Bazel bezocht.
Deze tentoonstelling gaat over de één van de grootste Nederlandse vormgevers die Nederland heeft gekend, namelijk Benno Premsela. Er zullen niet veel mensen zijn, die in het leven nog dagelijks aan deze man denken, als ze hem al kennen. En toch komen we iedere dag met Benno in aanraking. Want deze man kon alles, had overal een mening over, en beïnvloedde daardoor vele mensen die nu nog een rol van betekenis spelen in de Nederlandse maatschappij. De manier waarop we tegenwoordig ons huis vormgeven, de lamp die we hebben staan, de wijze waarop wij ons leven leiden als homo: Het heeft allemaal zijn oorsprong in de geldingsdrang van Benno Premsela.
Vlucht naar voren
Benno Premsela heeft, samen met zijn broer Boet, als enige van het gezin van zijn vader en moeder de oorlog overleefd. Zijn vader was een bekende arts die radiopraatjes hield. In een humanistische traditie groeide Premsela op. Zoals hij het zelf noemde: Een gratis treinkaartje voor het leven. Want hij werd niet aan de hand meegenomen door zijn ouders, hem werd geen religie of maatschappijvisie opgedrongen, hij kon zich ontwikkelen zoals hijzelf wilde.
In de oorlog zat Benno ondergedoken, met zijn intuïtie wist hij op het juiste moment van onderduikadres te wisselen. Zoals hij later verklaarde: in de oorlog was ik vogelvrij op een negatieve manier, na de oorlog voelde ik mij vogelvrij op een positieve manier.
Hij koos na de oorlog voor de vlucht naar voren, hij had het gevoel dat hij niets te verliezen had. Wie leeft moet leven. Al voor de oorlog had Benno Premsela een grote geldingsdrang, maar in de oorlog kreeg zijn ambitie pas echt vorm. Hij ontdekte dat hij homoseksueel was. Daardoor werd Benno niet alleen voor maar ook na de oorlog vervolgd, nu niet meer omdat hij Joods was maar omdat hij als een van weinige homo’s in Nederland openlijk voor zijn geaardheid uitkwam.
Functioneel humanisme
Daarnaast vond hij zijn koers als vormgever. Hij kwam op de nieuwe Kunstschool van Paul Citroen en Charles Roelofsz in contact met zijn leraar Alexander Bodon. Tot 1943 wist Benno het op deze school te bolwerken, daarna moest Benno onderduiken.
Al vóór de oorlog putte Benno zijn inspiratie uit het Nieuwe Bouwen en het Bauhaus. Maar ook vond hij inspiratie in het oosten, in de filosoof Krishnamurti.
Hij was heel veel te vinden in de door de Nieuwe Bouwen-architecten Johannes Brinkman en Leendert Cornelis van der Vlugt gebouwde Krishnamurti-tempel (aan de Tolstraat, nu openbaar bibliotheek). Zoals Benno zelf zei: ‘Een prachtig nieuw, zakelijk gebouw. Dat het nieuw zakelijk bouwen een relatie aan kon gaan met de theosofie en met Krishnamurti verbaasde me niet. Luchtig – licht en leeg zijn voor mij de overeenkomsten tussen beide (…). Het Nieuwe Bouwen en het Bauhaus zijn in mijn verder leven en werken een niet weg te denken referentiekader geweest.’
‘Daar was ik dus altijd’, aldus Benno, die zeer onder de indruk raakte van de leer van de theosofen. Krishnamurti hamerde op het volgen van jezelf, iedereen moest zichzelf verbeteren. Benno vond dat Krishnamurti hem – een jood en homoseksueel – geholpen heeft de op vernietiging gerichte druk van de maatschappij te weerstaan en een zekere vrijheid, hoe onvolledig dan ook, te verkrijgen.
‘Door de oorlog te overleven had ik het gevoel dat me niets meer kon overkomen. Ik had letterlijk het gevoel: het ergste wat me had kunnen overkomen, is me niet overkomen. Ik was mijn angsten kwijt, voor wat dan ook. Al is de angst voor de dood me toch altijd bij gebleven. In plaats van naar achteren te vluchten deed ik een stap naar voren. Ik vlucht naar voren. Dat heeft mij enorm geholpen om allerlei dingen te doen waarvan iedereen riep: de moed die jij hebt gehad! Ik heb geen moed getoond, alleen mijn lafheid overwonnen. Je overwint je angsten.’
In een gesprek met Bibeb gaf Benno aan dat ook schuldgevoel een rol speelde:‘Ik ben onder een gelukkig gesternte geboren. Ik heb altijd mensen ontmoet die veel voor mij betekend hebben. Dat is een van de bewijzen van de onrechtvaardigheid van het leven. Ik zie er geen verband in. Ik geloof… dat is mijn schuldgevoel… het feit dat ik misschien talent heb en dat ik de oorlog overleefd heb… daar is geen verklaring voor. Niet dat ik zo vreselijk onder mijn schuldgevoel gebukt ga, maar het is wel zo dat het stimuleert. Het besef dat ik een opdracht heb te vervullen komt uit dat schuldgevoel voort. De idee dat ik dóór moet gaan. Het feit dat ik leef moet een zin hebben, dat moet je waarmaken.’ “Nothing left to loose”, dat is vrijheid voor Benno Premsela.
Voorvechter van homo emancipatie
Als hij om zou moeten kijken op zijn leven, dan zou dit het zwaarst voor hem wegen: wat heb je laten schieten, je eigen onvermogen, lafheden, de dingen die je had moeten doen en nagelaten hebt: ‘Dat knaagt aan me omdat je dat niet meer kunt inhalen.’
Benno noemde als voorbeeld de oorlog: ‘Ik denk dat het buitengewoon onbegrijpelijk is dat ik in de oorlog niet actief iets gedaan heb, dat ik ben ondergedoken en ik vind het eigenlijk een verkeerde beslissing. Ik had iets moeten doen. Dat is toen absoluut niet boven gekomen bij me. (…) Maar dat is niet meer in te halen. Daar voel ik mij ontzettend in te kort geschoten.’
Misschien verklaart dit citaat het best de strijdbaarheid en vastberadenheid waarmee Benno Premsela na de oorlog alsnog “in het verzet” ging. Hij werd zich volop bewust van de verstikkende maatschappelijke verdrukking waar homoseksueel Nederland onder gebukt bleef gaan. Homoseksualiteit was in Nederland volgens de heren dokters, artsen en professoren een geestelijke/mentale afwijking. Tot 1968 werd castratie gezien als mogelijk oplossing.
Pas in 1963 werd voor het eerst in de literatuur openlijk over homoseksualiteit gesproken. Dat was door Gerard Reve, in een brief in het blad Dialoog, dat later gebundeld zou worden in het boek “op Weg Naar het Einde”. Toen waren homoseksuelen de paria’s van de maatschappij. Nu zijn homo’s algemeen geaccepteerd als gelijkwaardig aan hetero’s.
Dat is voor een belangrijke deel te danken aan Benno Premsela, die na de oorlog door de oprichting van de Shakespeare club en het COC (samen met Niek Engelschman, oftewel Bob Angelo) aan de wieg stond van de homo emancipatie. Voor veel homo’s is het echter nog iedere dag een gevecht om geaccepteerd te worden. Wellicht kunnen zij inspiratie putten uit Benno Premsela’s strijd. Want hij stond open in het leven, durfde te twijfelen en keek niet achterom maar putte inspiratie uit zijn leven. Wees te tonen wie je bent. Maak van het leven een kunstwerk en geniet daarvan.
Ik durf te stellen dat velen deze woorden van Benno Premsela, ook een kale homo, ter harte nemen.
En dat zij dit mede kunnen doen door de inzet en gedrevenheid van Benno Premsela, zonder dit echt te beseffen.
Volgende keer een andere kale homo, zoals bijvoorbeeld Geert Dales. Hij zei over zijn contacten met Benno Premsela, dat hij hem bewonderde om zijn onbevangenheid: ‘Hij staat voor alles open en heeft niet op voorhand al zijn oordeel klaar. Ook als hem iets niet bevalt gaat hij eindeloos na of er toch niet iets in zit. Hij staat boven de partijen. (…) Daarbij gaat er iets dwingends van hem uit en is hij bijzonder scherp in zijn uitlatingen, waardoor hij je bewust of onbewust kan krijgen waar hij je hebben wil. Maar nooit krijg je het idee dat je iets door de strot wordt geduwd.’
Alle citaten heb ik geput uit het boek:“Benno Premsela, voorvechter van homo-emancipatie”,
geschreven door: Bert Boelaars