
Thema’s van multiculturaliteit en recht zijn de volgende:
De multiculturele samenleving betekent een nieuwe fase in de spanning tussen nagestreefde universaliteit en lokale (rechts)gewoonten en sociale gedragsnormen.
Recht is een discursieve grootheid, het altijd voorlopige resultaat van een proces van meningsvorming en overtuiging.
Inclusieve neutraliteit van de staat is in grote lijnen het uitgangspunt voor het Nederlandse recht.
Die neutraliteit is te verkiezen boven exclusieve neutraliteit, omdat het niet van burgers vraagt dat ze een deel van zich zelf thuis laten.
Drie kernelementen dus;
- een nieuwe fase;
- een proces van meningsvorming en
overtuiging en;
- jezelf niet hoeven thuis laten.
Multiculturaliteit en recht is een onderwerp dat heel makkelijk bij velen niet alleen een juridische maar ook een gevoelsmatige snaar raakt.
Wanneer we het publieke debat van de laatste maanden over multiculturaliteit en recht in ogenschouw nemen dan blijkt dat met name bij dit onderwerp niemand zichzelf thuis laat.
En dat zullen wij hopelijk straks ook niet doen.
Ik zal mij zelf ook niet thuis laten met het presenteren van een, voor mij aandachttrekkende, persoonlijke ervaring. Ik probeer deze ervaring van een opschrift te voorzien in de hoop de kern ervan te universaliseren. Ik las een passage in de rede van Cleveringa van 1940, nadat de Duitse bezetter hoogleraar Eduard Maurits Meijers omdat jij Joods was had ontslagen.
Nadat Cleveringa, decaan van de juridische faculteit, op 26 november 1940 zijn toehoorders met ontzetting het bericht had voorgelezen dat de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in opdracht van de Rijkscommissaris van het bezette gebied ter zake van niet-Arisch overheidspersoneel en met dat personeel gelijkgestelden, Meyers van zijn functie van hoogleraar had ontheven, schetst hij de enorme statuur van Meyers.
Aan het eind van zijn toespraak zegt Cleveringa en ik citeer:
‘Het is deze Nederlander, deze nobele en ware zoon van ons volk, deze mensch, deze studentenvader, deze geleerde dien de vreemdeling, welke ons thans vijandelijk overheerscht ontheft van zijn functie?!
Ik zeide u niet over mijn gevoelens te zullen spreken; ik zal mij eraan houden, al dreigen zij als kokende lava te barsten door al de spleten, welke ik bij momenten den indruk heb, dat zich, onder de aandrang ervan, in mijn hoofd en hart zouden kunnen openen.
Maar in de faculteit, die blijkens haar doelstelling gewijd is aan de betrachting van de rechtvaardigheid, mag toch deze opmerking niet achterwege blijven: In overeenstemming met Nederlandsche tradities verklaart de Grondwet iederen Nederlander tot elke landsbediening en tot de bekleeding van elke waardigheid en elk ambt benoembaar, en stelt zij hem, onafhankelijk van zijn godsdienst, in het genot van dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten.’

Deze, uit een zo begrijpelijke woede voortspruitende, passage heeft mij van mijn stuk gebracht en ik heb geprobeerd ook die ervaring te transformeren tot een voor mij hanteerbaar gevoel.
Het vuur waarmee Cleveringa onder dreigende omstandigheden het voor Meyers opnam blijft indruk op mij maken. Die bewoordingen konden zo, is mijn indruk, slechts worden ingegeven door iemand die in staat was zich te vereenzelvigen met iemand die hij niet was.
Natuurlijk had Cleveringa niet de pretentie zichzelf op één lijn te stellen met Meyers. Integendeel, de hele lezing geeft Cleveringa er blijk van dat Meyers een jurist van een unieke orde was.
De vereenzelviging was er op het niveau van het individu met de mens Meyers, die joods was door Cleveringa die dat niet was.
Onder zeer moeilijke en dreigende omstandigheden heeft Cleveringa de heldenmoed opgebracht, niet om Meyers in bescherming te nemen, maar door zich te identificeren met een collega die, vanwege zijn jood zijn, in zijn meest fundamentele rechten werd geschonden.
Die identificatie met de ander, degene die men niet is, is voor mij het universele dat ik aan deze ervaring heb verbonden.
copyright:
mr. R.R. Winter en de Nederlandse Juristenvereniging. Dit stuk is een kort uitttreksel van een deel van de toespraak van R.R. Winter als voorzitter van het bestuur van de NJV bij de jaarvergadering van 2008.



