de vrijheid om te uiten

In de uitspraak naar aanleiding van de aanhouding van demonstranten bij het standbeeld van Anton de Kom geeft de rechtbank een interessante beschouwing ten aanzien van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting.

 De casus is als volgt: De politie meent dat de boel gaat escaleren, omdat tegenstanders van betogers dreigen in te grijpen. In plaats van de tegenstanders van de betogers aan te pakken, besluit de politie de betogers aan te pakken. Dit komt overeen met de arrestatie van bijvoorbeeld Gregorius Nekschot: Niet degenen die deze tekenaar bedreigen worden aangepakt, niet de moslims met lange tenen, maar de tekenaar zelf met het dringende verzoek “not to offend anymore”.

De Rechtbank maakt korte metten met dit standpunt. De rechtbank overweegt bijvoorbeeld dat niet zozeer de persoon die de mening uit beschermd moet worden, als wel de uiting zelf, het uiten van je mening. Dit op basis van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. En als de persoon die de mening uit al in gevaar wordt gebracht doordat anderen hem die meningsuiting willen beletten, dan moeten die bedreigers worden aangepakt. Kortom: Niet Geert Wilders en Gregorius Nekschot en HoeiBoei (en…???) moeten worden aangepakt, maar hun bedreigers.

Daarbij wil ik ook vermelden, dat in dit geval de Europese verdragen de bescherming bieden die de Nederlandse CDA-minister van Justitie dreigt in te perken: De Vrijheid van Meningsuiting.  

Tenslotte, voordat ik de interessante gedachtegang van de Rechtbank integraal laat volgen, wil ik opmerken dat uit de vorige post blijkt dat zowel de politie als het openbaar ministerie niet goed op de hoogte zijn op grond van welke beginselen de vrijheid van meningsuiting al dan niet beschermd zou moeten worden. De vrijspraak getuigt van de zoveelste uiting van onkunde van de Nederlandse ambtenarij, belast met het verdedigen van de openbare orde en de rechtstaat. De Officier van Justitie staat voor de rechtbank en moet ter plekke (tijdens de zitting) bekennen dat hij verdachte aanklaagt zonder enige juridische rechtsgrond!!! Het is toch godgeklaagd in dit land. Zou deze onachtzaamheid ten aanzien van het betrachten van juridische zorgvuldigheid bij het beperken van de vrijheid van meningsuiting nog voortspruiten uit het gemak waarmee tegenstanders van de Europese Unie destijds bij de top in Amsterdam opgepakt werden? Ik vrees dat het meer te maken heeft met een algehele onkunde, gebrek aan inzicht en het ontbreken van morele opvattingen bij de nieuwe generatie juristen. Iets wat ik al merkte tijdens mijn studie aan de Universiteit Maastricht. Het moet mij van het hart dat dit mij grote zorgen baart, meer dan de verharding van het publieke discours.

 

Overweging ten overvloede van de Rechtbank:

De rechtbank acht het, ondanks bovengenoemde vrijspraak, van belang de onderhavige zaak mede in het licht van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake de vrijheid van meningsuiting te bezien. Artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermt de vrijheid van meningsuiting. Het EHRM heeft een uitvoerige jurisprudentie ontwikkeld met betrekking tot de verschillende aspecten van artikel 10 EVRM. Het EHRM heeft daarin keer op keer benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting een van de meest essentiële fundamenten van de democratische rechtstaat vormt en tevens een voorwaarde voor haar ontwikkeling als geheel en voor de ontwikkeling van de individuen binnen die rechtstaat.

Het recht op vrije meningsuiting, zoals neergelegd in het eerste lid van artikel 10 EVRM, kan ingevolge het tweede lid van dat artikel worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van onder meer het voorkomen van wanordelijkheden. Artikel 10 EVRM beschermt niet alleen uitingen die aangenaam of onschuldig zijn, maar ook uitingen die “offend, shock or disturb”. Artikel 10, eerste lid EVRM laat daarbij weinig ruimte voor beperkingen van het recht op vrije meningsuiting ten aanzien van politieke uitlatingen of uitlatingen die het publiek belang raken.

Voor de duidelijkheid overweegt de rechtbank dat de nu volgende toetsing uit gaat van het hypothetische geval dat de vordering (wel) krachtens wettelijk voorschrift zou zijn gedaan. In de eerste plaats dient de beperking van het recht op vrije meningsuiting te zijn voorzien bij wet. In het onderhavige geval kan de wettelijke basis worden gevonden in artikel 184 Sr. Daarnaast moet de beperking een van de in het tweede lid van artikel 10 EVRM opgenomen doelen dienen. In dit geval is de vordering gedaan ter voorkoming van wanordelijkheden, zodat ook aan deze voorwaarde van artikel 10, tweede lid EVRM is voldaan. Dat betekent dat de vraag moet worden beantwoord of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving, is met name van belang of een dringende maatschappelijke noodzaak (pressing social need) bestaat het recht van vrije meningsuiting te beperken en of een dergelijke beperking proportioneel is ten aanzien van het doel dat daarmee wordt beoogd. Ten slotte is van belang dat de staat in kwestie kan aantonen dat de inbreuk relevant en voldoende is. Bij de beoordeling van de vraag of een maatschappelijke noodzaak als voornoemd bestaat, wordt aan de staat een bepaalde beoordelingsvrijheid (margin of appreciation) gegeven. Het hangt sterk af van de omstandigheden van het geval welke mate van beoordelingsruimte aan de staat in kwestie wordt gelaten. De rechtbank acht in dat kader de volgende omstandigheden van belang.

De verbalisant [politieambtenaar 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij verdachte heeft gevorderd te stoppen met zijn activiteiten om te voorkomen dat de situatie zou escaleren. [politieambtenaar 1] heeft verklaard dat diverse bezoekers van het festival hem die bewuste middag op het volgens hen hinderlijke gedrag van verdachte hebben aangesproken. [politieambtenaar 1] heeft tevens verklaard dat een aantal mensen dreigde zelf iets aan de situatie te doen als hij, [politieambtenaar 1], niet zou ingrijpen. Deze verklaring van [politieambtenaar 1] wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het dossier en evenmin door de verklaringen die de getuigen [getuige1], [getuige2] en [politieambtenaar 2] ter terechtzitting hebben afgelegd.

De tegenstrijdigheid van de verklaringen op dit punt daargelaten, rijst naar het oordeel van de rechtbank nog steeds de vraag of het preventief ingrijpen van [politieambtenaar 1], door verdachte te vorderen zijn activiteiten te staken, in dit geval gerechtvaardigd was in het licht van artikel 10 EVRM. De bescherming die artikel 10 biedt, wordt vooral zichtbaar wanneer de vrijheid van meningsuiting dreigt te worden beperkt. In het geval waarin mensen dreigen een persoon die provocerende uitlatingen doet aan te pakken, dient juist die persoon tegen die dreiging te worden beschermd. Het is dus niet het recht van verdachte vrij zijn mening te kunnen uiten dat moet worden beperkt met het kennelijke doel wanordelijkheden te voorkomen.

Artikel 10 EVRM is bedoeld om ook de uiting te beschermen en niet alleen de persoon die een uiting doet. Het zou daarom eerder in de rede hebben gelegen de personen die dreigden verdachte aan te pakken, in het kader van het voorkomen van wanordelijkheden op hun gedrag aan te spreken.

De inbreuk op het recht van vrije meningsuiting in de vorm van de aanhouding van verdachte is niet noodzakelijk in een democratische samenleving, nu deze op een onjuiste interpretatie van artikel 10, tweede lid EVRM berust.

Reageer